Basisexamen woordenlijst A1 — alle 1205 woorden, gratis.

Elk woord op deze pagina komt uit de officiële Naar Nederland-methode (les 21–65) — precies de bron waar de onderdelen KNS, Lezen en Spreken van het basisexamen uit putten. Verdeeld over 22 examenrelevante modules, geen willekeurige alfabetische lijst, zodat u de woorden oefent die echt op examendag voorkomen.

1205 woorden 22 studiemodules Officiële Naar Nederland-bron

Waarom woordenschat het onderdeel is waar kandidaten het minst op voorbereid zijn

Er is geen apart onderdeel "Woordenschat" op examendag, dus het is verleidelijk om te denken dat er niets specifieks te oefenen valt — je pikt de woorden vanzelf wel op. Dat is de valkuil: KNS, Lezen en Spreken putten allemaal uit dezelfde onderliggende woordenpool, dus een zwakke woordenschat kost je stilletjes punten bij alle drie, niet bij één onderdeel.

Wat de meeste woordenlijsten fout doen: ze zijn alfabetisch geordend, wat makkelijk is om te maken maar nutteloos om van te leren. Anders dan een gewone Nederlandse woordenlijst is elke module hier opgebouwd rond wat het examen bij de ambassade daadwerkelijk toetst: KNS-kennisvragen putten rechtstreeks uit de modules Geschiedenis & Samenleving en Politiek & Recht; leesteksten zijn opgebouwd uit functionele woorden zoals Winkelen & Betalen en Vervoer & Routebeschrijvingen; en antwoorden bij Spreken deel 1/2 leunen bijna volledig op de modules Dagelijkse Routine, Meningen & Gevoelens en Kernwerkwoorden.

De belangrijkste vaardigheid is deze 1205 woorden in beide richtingen herkennen — Nederlands naar Engels en andersom — want KNS en Lezen tonen je Nederlandse tekst, terwijl Spreken vraagt om het zelf te produceren. Woordenschat oefenen op examenrelevantie, niet alfabetisch, is de snelste weg naar slagen bij de eerste poging — een herkansing kost €50 per onderdeel bij de ambassade.

🌐 Studeert u liever in een andere taal dan Engels? Gebruik de taalkiezer hierboven (naast het aantal woorden) om een live vertaalkolom toe te voegen aan elk woord op deze pagina en aan de flashcard-game hieronder — niet meer wisselen tussen tabbladen en de draad kwijtraken als u terugkomt. Dit helpt vooral als Engels niet uw sterkste taal is: het Nederlandse woord, de Engelse betekenis én uw eigen taal in één oogopslag helpen het sneller te onthouden.

Nederlandse partner? Zo helpt u het beste mee studeren

Als moedertaalspreker zijn deze 1205 woorden voor u vanzelfsprekend — precies dat maakt meehelpen lastiger dan het lijkt. Waar u een woord als "aanvragen" of "verplicht" automatisch begrijpt, moet uw partner het herkennen zónder na te denken, binnen de tijdsdruk van het echte examen. Overhoor daarom niet aan de hand van uw eigen intuïtie, maar aan de hand van de 22 modules hierboven: laat uw partner een module afronden, overhoor daarna alleen die woorden, en ga pas door naar de volgende module als die vrijwel foutloos gaat.

Een veelgemaakte fout is te snel door de volledige lijst heen bladeren in plaats van bij een module te blijven tot die beklijft. Omdat KNS, Lezen en Spreken allemaal uit dezelfde 1205 woorden putten, is herhaling binnen één module effectiever dan één keer alle 22 modules doornemen. Plan bijvoorbeeld 15 minuten per dag met steeds dezelfde module totdat uw partner de woorden ook zonder de vertaling herkent — pas dan is een woord echt "examenklaar".

Praktisch: gebruik de gratis flashcard-ronde hieronder samen, om de beurt — u leest het Nederlandse woord hardop voor, uw partner zegt de Engelse (of eigen-taal) betekenis terug, en andersom voor de spreekvaardigheid. Dat traint tegelijk het herkennen (nodig voor KNS en Lezen) én het zelf produceren van het woord (nodig voor Spreken), zonder dat u een aparte oefening hoeft te bedenken.

Studieschema: in welke volgorde doet u de 22 modules?

22 modules zonder volgorde voelt als een berg. Daarom raden we aan niet alfabetisch te werken (module 1 t/m 22 op volgorde), maar in drie fasen die aansluiten bij hoe de drie examenonderdelen deze woorden daadwerkelijk gebruiken — zo oefent u eerst wat overal terugkomt, en pas daarna wat specifieker is.

Fase 1 — het fundament (modules 01, 02, 03, 06, 07): Persoonsgegevens & Begroetingen, Huis & Wonen, De Tijd/Dagen & Klokkijken, Familie & Relaties, Gezondheid & Het Lichaam. Samen 315 van de 1205 woorden. Dit zijn de woorden die in bijna elke KNS-vraag, leestekst én spreekantwoord terugkomen — zonder deze basis kost elk ander onderdeel onnodig extra moeite. Begin hier, ook als u denkt dat u de meeste van deze woorden al kent: het gaat om ze foutloos en zonder nadenken herkennen onder tijdsdruk, niet om ze "ooit gehoord hebben".

Fase 2 — onderwerp-specifiek voor Lezen en KNS (modules 04, 08, 09, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20): Eten & Drinken, Vervoer & Reizen, Winkelen & Betalen, Kleding & Uiterlijk, Onderwijs & Leren, Werk & Beroep, Het Weer & Seizoenen, Vrije Tijd/Sport & Hobby's, Feestdagen & Celebraties, Communicatie & Media, De Stad/Het Dorp & Natuur, Geschiedenis & Maatschappij, Politiek/Wet & Regels. Dit is verreweg de grootste fase (720 woorden, bijna 60% van de lijst) omdat Lezen en KNS het breedst toetsen. Module 16 (Communicatie & Media, 125 woorden) en module 18 (De Stad/Het Dorp & Natuur, 100 woorden) zijn de twee zwaarste modules van de hele lijst — plan voor die twee gerust twee studiemomenten in plaats van één.

Fase 3 — zelf produceren voor Spreken (modules 05, 17, 21, 22): Dagelijkse Routine, Emoties/Gevoelens & Meningen, Vaste Verbindings- & Structuurwoorden, Basiswerkwoorden voor Spreken A1. Bewust als laatste, want dit zijn de 170 woorden die u niet alleen hoeft te hérkennen maar ook zelf moet kunnen produceren — Spreken deel 1 en 2 vragen om een mening geven, een dagelijkse routine beschrijven en zinnen vloeiend aan elkaar knopen. Doe deze fase pas nadat fase 1 en 2 goed zitten: zelf spreken is moeilijker dan herkennen, en bouwt voort op de woordenschat die u daarvoor al heeft opgebouwd.

Een realistisch tempo: bij 20–30 minuten per dag, één module per 2–3 dagen, doorloopt u alle 22 modules in ongeveer 6 tot 7 weken. Dat laat ruimte over vóór examendag om de zwaarste modules (16 en 18) een tweede keer te overhoren, en om in de laatste week alleen nog de woorden te herhalen die nog niet foutloos gaan — niet de hele lijst opnieuw.

Probeer het nu — gratis flashcard-ronde

De eerste 10 woorden hieronder, nu direct speelbaar. Geen account nodig.

Score: 0
🔥 0
5.0s
Module 01
—
—
🔒 Ontgrendel alle 1205 woorden — maak gratis een account →
Elk examen bij de ambassade begint hier: KNS, Lezen en Spreken gaan er allemaal van uit dat u al weet hoe u uw eigen gegevens in het Nederlands noemt. Deze 58 woorden dekken inschrijfformulieren, begroetingen en de getallen 0–100 die in bijna elke vraag van Spreken deel 1 terugkomen.
naam (de)name
voornaam (de)first name
achternaam (de)surname, last name
adres (het)address
woonplaats (de)place of residence
postcode (de)postal code
straat (de)street
nummer (het)number
telefoon (de)telephone
mobielmobile
meneer (de)Mr., sir, gentleman
mevrouw (de)Mrs., madam, ma'am
jongen (de)boy
meisje (het)girl
man (de)man
vrouw (de)woman
kind (het)child
kinderen (de)children
ikI
jij / jeyou (informal)
uyou (formal)
hijhe
zij / zeshe / they
wij / wewe
jullieyou (plural)
mijnmy
jouw / jeyour
uwyour (formal)
zijnhis / to be
haarher
ons / onzeour
huntheir
hallohello
goedemorgengood morning
goedemiddaggood afternoon
goedenavondgood evening
tot ziensgoodbye
dagbye / day
alstublieft (a.u.b.)please / here you go (formal)
alsjeblieftplease / here you go (informal)
bedanktthank you
dank u welthank you (formal)
graagwith pleasure
jayes
neeno
geenno / none
inschrijven (zich)register
geboortedatum (de)date of birth
geborenborn
land (het)country
nationaliteit (de)nationality
paspoort (het)passport
formulieren (het formulier)forms
invullenfill in
handtekening (de)signature
getallen (0 t/m 20, 30, 40, 50, 60, 70, 80, 90, 100)numbers 0 to 100
nulzero
eentje (het)one / single one
mijme
waarwhere
inin
datthat
makkelijkeasy
evenjust, a moment
daarthere
erthere (pronoun)
staan (staat)to stand
diethat, those (relative)
heten (heet)to be called
elfeleven
twaalftwelve
dertienthirteen
veertienfourteen
vijftienfifteen
zestiensixteen
zeventienseventeen
achttieneighteen
negentiennineteen
vierentwintigtwenty-four
elkaareach other
bijnear, at
geloven (gelooft)to believe
ooh
bijnanearly
nogstill, yet
Leesteksten over huuradvertenties, bezichtigingen en burenruzies leunen zwaar op woorden over kamers en wonen — deze module is de meest voorkomende bron van functionele woorden in het onderdeel Lezen.
huis (het)house
woning (de)home, apartment
appartement (het)apartment, flat
kamer (de)room
woonkamer (de)living room
slaapkamer (de)bedroom
keuken (de)kitchen
badkamer (de)bathroom
toilet (het)toilet, restroom
gang (de)hallway, corridor
zolder (de)attic
tuin (de)garden
balkon (het)balcony
deur (de)door
raam (het)window
muur (de)wall
vloer (de)floor
dak (het)roof
trap (de)stairs
bovenupstairs
benedendownstairs
binneninside
buitenoutside
openopen
dichtclosed
grootbig, large
kleinsmall
ruimspacious
ruimte (de)space
licht (het)light
donkerdark
spullen (de)things, items
dingen (de)things
tafel (de)table
stoel (de)chair
bank (de)sofa, couch / bank
bed (het)bed
kast (de)cupboard, closet
lamp (de)lamp
hurenrent
kopenbuy
sleutel (de)key
verhuizenmove house
buren (de buurman / buurvrouw)neighbours
eerstefirst
tweedesecond
verdieping (de)floor, storey
welkomwelcome
achterbehind
zoso, like this
naarto, towards
verbazen (verbaast)to amaze
terugkomen (komt terug)to come back
thuiskomen (komt thuis)to come home
beurt (de)turn
reclame (de)special offer, advert
bossen (het bos)woods
frisse (fris)fresh
hoop (de)lots of, hope
vogels (de vogel)birds
beesten (het beest)animals
honden (de hond)dogs
katten (de kat)cats
wilde (wild)wild
dieren (het dier)animals
mijzelfmyself
zomaarno special reason
uzelfyourself
Kloktijden in het Nederlands (kwart over, half twee) zijn lastiger dan elk ander grammaticaonderdeel bij Spreken deel 2. Dagen, maanden en kloktijd-uitdrukkingen uit les 24–25 worden hier geoefend.
tijd (de)time
klok (de)clock
uur (het)hour / o'clock
minuut (de)minute
kwartier (het)quarter of an hour
seconde (de)second
halfhalf (e.g. half twee = 1:30)
kwart overquarter past
kwart voorquarter to
ochtend (de)morning
's ochtendsin the morning
middag (de)afternoon
's middagsin the afternoon
avond (de)evening
's avondsin the evening
nacht (de)night
's nachtsat night
dag (de)day
vandaagtoday
gisterenyesterday
morgentomorrow
overmorgenday after tomorrow
week (de)week
weekend (het)weekend
maandagMonday
dinsdagTuesday
woensdagWednesday
donderdagThursday
vrijdagFriday
zaterdagSaturday
zondagSunday
maand (de)month
jaar (het)year
vroegearly
laatlate
op tijdon time
altijdalways
vaakoften
somssometimes
nooitnever
wanneerwhen
hoe laatwhat time
beginnenstart, begin
sluiten / stoppenclose / stop
durentake (duration)
klaarfinished, ready
hoeven (hoeft)to need to, have to
enkelea few
binnenkortsoon
toenthen, at that time
januariJanuary
februariFebruary
maartMarch
aprilApril
meiMay
juniJune
juliJuly
augustusAugust
septemberSeptember
oktoberOctober
novemberNovember
decemberDecember
kalender (de)calendar
agenda (de)diary, agenda
nunow
tussenbetween
totuntil
vastfixed
Woorden over eten en maaltijden komen voortdurend terug bij Lezen (menu's, supermarktfolders) en Spreken deel 1 ('Wat eet u 's ochtends?'). 46 woorden over ontbijt, boodschappen en smaak.
eteneat / food
drinkendrink
maaltijd (de)meal
ontbijt (het)breakfast
lunch (de)lunch
avondeten (het)dinner
brood (het)bread
bruinbroodbrown bread
witbroodwhite bread
broodje (het)roll, sandwich
boter (de)butter
kaas (de)cheese
vlees (het)meat
kip (de)chicken
vis (de)fish
ei (het) / eierenegg / eggs
aardappel (de)potato
groente (de)vegetables
fruit (het)fruit
appel (de)apple
banaan (de)banana
soep (de)soup
rijst (de)rice
nassi (de)Indonesian seasoned rice
water (het)water
thee (de)tea
koffie (de)coffee
melk (de)milk
sap (het)juice
wijn (de)wine
bier (het)beer
suiker (de)sugar
zout (het)salt
chocolade (de)chocolate
koekje (het)biscuit, cookie
taart (de)cake, pie
ijs (het)ice cream / ice
lekkertasty, delicious
honger (de)hunger (honger hebben)
dorst (de)thirst (dorst hebben)
klaarmakenprepare (food)
kokencook, boil
bakkenbake, fry
snijdencut, slice
smaak (de)taste
smakentaste (verb)
De module dagelijkse routine sluit direct aan op het meest voorkomende vraagpatroon van Spreken deel 1 — het beschrijven van uw ochtend, uw reis naar werk, uw avond — in korte zinnen met Onderwerp + Werkwoord + Detail.
wekker (de)alarm clock
wakker wordenwake up
opstaanget up
douchenshower
wassen (zich)wash
tanden poetsenbrush teeth
aankleden (zich)get dressed
kleren aantrekkenput on clothes
kleren uitdoentake off clothes
kammencomb
ontbijtenhave breakfast
krant lezenread the newspaper
radio luisterenlisten to the radio
van huis gaanleave home
naar het werk gaango to work
naar school gaango to school
boodschappen doendo the groceries
kokencook
eteneat
afwassendo the dishes
opruimentidy up
schoonmakenclean
tv-kijkenwatch television
rusten / ontspannenrest / relax
naar bed gaango to bed
slapensleep
uitslapensleep in
dagelijksdaily
gewoonte (de)habit, routine
uitout
taak (de)task, job
iedereeneveryone
Woorden over familie komen terug bij zowel KNS (vragen over gezinssamenstelling) als Spreken (beschrijven met wie u samenwoont). 35 woorden van ouders tot schoonfamilie.
familie (de)family, relatives
gezin (het)immediate family
ouders (de)parents
vader (de)father
moeder (de)mother
papa (de)dad
mama (de)mom
zoon (de)son
dochter (de)daughter
broer (de)brother
zus (de)sister
opa (de)grandfather
oma (de)grandmother
grootouders (de)grandparents
kleinkind (het)grandchild
oom (de)uncle
tante (de)aunt
neef (de)nephew / male cousin
nicht (de)niece / female cousin
man (de) / echtgenoothusband
vrouw (de) / echtgenotewife
partner (de)partner
vriend (de)boyfriend / male friend
vriendin (de)girlfriend / female friend
vrienden (de)friends
baby (de)baby
buurman (de)male neighbour
buurvrouw (de)female neighbour
collega (de)colleague
kennenknow (a person)
ontmoetenmeet
trouwenmarry
getrouwdmarried
gescheidendivorced
alleenstaandsingle
jongste (de)youngest
midden (het)middle
blondblonde
zoalsas, like
aardignice, kind
net alsjust like
sterkstrong
zul (zullen)will
herkennen (herkent)to recognize
geheimen (het geheim)secrets
plotselingsuddenly
domme (dom)stupid
eindigt (eindigen)ends
duidelijke (duidelijk)clear
Gezondheid en het lichaam wordt direct getoetst bij KNS ('bij wie gaat u eerst langs als u ziek bent? — de huisarts') en komt terug in leesteksten over openingstijden van de apotheek en afspraakbrieven.
lichaam (het)body
hoofd (het)head
haar (het)hair
oog (het) / ogeneye / eyes
oor (het) / orenear / ears
neus (de)nose
mond (de)mouth
lip (de)lip
tand (de) / tandentooth / teeth
keel (de)throat
nek (de)neck
schouder (de)shoulder
borst (de)chest
buik (de)stomach, belly
rug (de)back
arm (de)arm
hand (de)hand
vinger (de)finger
been (het)leg
knie (de)knee
voet (de)foot
teen (de) / tenentoe / toes
ziekill, sick
beterbetter (recovered)
gezondhealthy
gezondheid (de)health
pijn (de)pain
pijn hebbenhave pain, hurt
koorts (de)fever
griep (de)flu
verkoudenhaving a cold
hoestencough
dokter (de) / artsdoctor
huisarts (de)family doctor, GP
tandarts (de)dentist
ziekenhuis (het)hospital
apotheek (de)pharmacy
medicijn (het) / medicijnenmedicine
recept (het)prescription
afspraak (de)appointment
onderzoek (het)examination, test
bloed (het)blood
beterschapget well soon
spoedgeval (het) / noodgevalemergency
liggen (ligt)to lie, be situated
Woorden over openbaar vervoer en routebeschrijvingen vormen de ruggengraat van leesteksten over dienstregelingen, vertragingen en perronomroepen — een gegarandeerde bron van examenvragen.
vervoer (het)transport
openbaar vervoer (ov)public transport
fiets (de)bicycle
fietsencycle
auto (de)car
bus (de)bus
trein (de)train
tram (de)tram
metro (de)metro, subway
boot (de) / schip (het)boat / ship
vliegtuig (het)airplane
vliegenfly
station (het)railway station
halte (de)stop (bus/tram)
vliegveld (het) / luchthavenairport
spoor (het) / perron (het)track / platform
kaartje (het) / ticketticket
ov-chipkaart (de)public transport card
incheckencheck in
uitcheckencheck out
vertrek (het)departure
vertrekkendepart, leave
aankomst (de)arrival
aankomenarrive
vertraging (de)delay
overstappentransfer, change trains
reizentravel
reis (de)journey, trip
reiziger (de)passenger, traveler
koffer (de)suitcase
bagage (de)luggage
weg (de)road, way
straat (de)street
linksleft
rechtsright
rechtdoorstraight ahead
dichtbijnear, close
verfar
afstand (de)distance
file (de)traffic jam
stilstaanstand still
probleem (het)problem
pakken (pakt)to take, grab
volfull
plaats (de)room, space, seat
gewoonsimply, just
gelijk hebbento be right
andereother
goedkopercheaper
beweging (de)movement, exercise
georganiseerd (organiseren)organised
intercity (de)intercity
kant (de)side
perron (het)platform
uurtje (het)hour
plaatsen / plaats (de)seats, place
neerzetten (zet neer)to put down
hartelijk dankthank you very much
dienst (de)service
Winkelen en betalen — pinnen, korting, kassa — komen terug in vrijwel elke kassabon, folder of prijsvergelijking bij het onderdeel Lezen.
winkel (de)shop, store
winkelenshopping
supermarkt (de)supermarket
markt (de)outdoor market
bakker (de)bakery
slager (de)butcher
kassa (de)checkout, till
verkoper (de)sales assistant
klant (de)customer
kopenbuy
verkopensell
kostencost
prijs (de)price
geld (het)money
euro (de)euro
cent (de)cent
duurexpensive
goedkoopcheap
gratisfree
korting (de)discount
aanbieding (de) / reclamespecial offer, sale
betalenpay
afrekenensettle the bill
contantcash
pinnenpay by debit card
pinpas (de)debit card
pincode (de)PIN code
intoetsenenter, key in
bon (de) / bonnetjereceipt
tas (de)bag
mandje (het)basket
karretje (het)shopping trolley
kilo (de)kilogram
pond (het)500 grams
gram (de)gram
liter (de)litre
fles (de)bottle
pak (het)packet, carton
stuk (het)piece
geslotenclosed
dragen (draagt)to carry, wear
meegaan (gaat mee)to go along with
handighandy, useful
iemandsomeone
briefje (het)banknote, note
portemonnee (de)wallet
leegempty
tevorenbeforehand
zaak (de)shop, business
interessantinteresting
gauwquickly
ontzettendextremely
ongeveerabout, approximately
anderhalfone and a half
prachtigwonderful
preciesexactly
zwaarheavy
stap (de)step
klacht (de klacht)complaint
lidwoord (het)article (grammar)
procent (het)percent
losloose, separate
individueelindividual
regelmatigregular
opletten (let op)to pay attention
lawaai (het)noise
richting (de)direction
opeenssuddenly
oorzaak (de)cause
ongeluk (het)accident
bord (het)sign, board
klinken (klinkt)to sound
paneel (het)panel
algemeen (in het algemeen)general, in general
daaronderunder there, among which
maal (de maal)time (occurrence)
spreekt (spreken)to speak
kon (kunnen)was able to (past)
moest (moeten)had to (past)
merk (het merk)brand
conducteur (de)conductor
kaartjes (het kaartje)tickets
ogenblikje (het)moment
in ordefine, in order
orde (de)order
Woorden over kleding, kleur en uiterlijk ondersteunen KNS-vragen met foto's en de beeldopdrachten bij Spreken deel 1 waarbij u moet beschrijven wat iemand draagt.
kleren (de) / kleding (de)clothes, clothing
jas (de)coat, jacket
broek (de)trousers, pants
spijkerbroek (de)jeans
overhemd (het)collared shirt
shirt (het) / t-shirtt-shirt
trui (de)sweater, jumper
jurk (de)dress
rok (de)skirt
schoenen (de)shoes
laarzen (de)boots
sokken (de)socks
ondergoed (het)underwear
bril (de)glasses
horloge (het)watch
maat (de)size
passentry on / fit
kleur (de)colour
witwhite
zwartblack
roodred
blauwblue
geelyellow
groengreen
bruinbrown
grijsgrey
oranjeorange
mooibeautiful, nice
lelijkugly
schoonclean
viesdirty
langtall, long
kortshort
dikfat, thick
dunthin, slim
oudold
jongyoung
ongewoonunusual
Woorden over onderwijs vormen de basis van zowel de inburgeringskennis bij KNS (leerplicht vanaf 5 jaar) als alledaagse Spreken-opdrachten over het leren van Nederlands.
school (de)school
basisschool (de)primary school (ages 4-12)
middelbare school (de)secondary school (ages 12+)
universiteit (de)university
klas (de)class, classroom
leraar (de)teacher (male)
lerares (de) / juffrouwteacher (female)
leerling (de)pupil (school)
student (de)student (college/uni)
les (de)lesson, class
taalles (de)language lesson
cursus (de)course
huiswerk (het)homework
lerenlearn, study
studerenstudy (higher ed)
oefenenpractice
examen (het) / toets (de)exam / test
vragenask
antwoordenanswer
begrijpen / snappenunderstand
verstaanunderstand (spoken audio)
wetenknow (facts)
onthoudenremember
vergetenforget
herhalenrepeat
fout (de)mistake, error
goedcorrect, good
geslaagdpassed (an exam)
gezaktfailed (an exam)
diploma (het)diploma, degree
boek (het)book
woordenlijst (de)vocabulary list
pen (de)pen
papier (het)paper
idee (het)idea
oplossing (de)solution
normaalnormal
persoonlijkpersonal
woord (het)word
moeite (de)effort, trouble
volgen (volgt)to follow, take (a course)
docent (de)teacher (adult education)
gebruiken (gebruikt)to use
functie (de)function, position
studenten (de student)students
overdagduring the day
tegenoveropposite
recht (het)right
vreselijke (vreselijk)terrible
wel eensnow and then
Woorden over werk en arbeid worden direct getoetst bij KNS-kennisvragen en vormen de basis van Spreken deel 1-opdrachten over uw baan en dagelijkse reis naar werk.
werk (het) / baan (de)work, job
werkenwork
baas (de) / werkgeverboss / employer
werknemer (de)employee
collega (de)colleague
kantoor (het)office
bedrijf (het)company, business
fabriek (de)factory
bouw (de)construction site
beroep (het)profession, occupation
schilder (de)painter
bakker (de)baker
slager (de)butcher
chauffeur (de)driver
arts (de) / dokterdoctor
verpleegkundige (de)nurse
politieagent (de)police officer
salaris (het) / loon (het)salary / wage
verdienenearn
solliciterenapply for a job
sollicitatiegesprek (het)job interview
ervaring (de)experience
vrije dag (de)day off
vakantie (de)vacation, holiday
pauze (de)break
overwerk (het)overtime
ontslag (het)dismissal, firing
werkloosunemployed
drukbusy
beslistdefinitely
plezier (het)enjoyment
personeel (het)staff
verzorgen (verzorgt)to look after
soort (de/het)sort, kind
directeur (de)director
te koopfor sale
aangeboden (aanbieden)offered
geregeld (regelen)sorted, arranged
werkweek (de)working week
broodjes (het broodje)sandwiches
Praatjes over het weer zijn een klassiek opwarmertje bij Spreken deel 1, en seizoenswoorden ondersteunen leesteksten die in verschillende jaargetijden spelen.
weer (het)weather
zon (de)sun
regen (de)rain
regenenrain (verb)
sneeuw (de)snow
sneeuwensnow (verb)
wind (de)wind
waaienblow (wind)
wolk (de) / wolkencloud / clouds
lucht (de)sky / air
koudcold
warmwarm
heethot
zachtmild
frisfresh, chilly
natwet
droogdry
temperatuur (de)temperature
graad (de) / gradendegree / degrees
seizoen (het)season
lente (de) / voorjaarspring
zomer (de)summer
herfst (de) / najaarautumn, fall
winter (de)winter
paraplu (de)umbrella
ruiken (ruikt)to smell
overaleverywhere
heenthere (direction)
terugback
varen (vaart)to sail
breedwide
ondertussenmeanwhile
schepen (het schip)ships
geweldigfantastic
genieten (geniet)to enjoy
voorstel (het)suggestion
dachten (denken)thought
Woorden over vrije tijd en hobby's zijn een van de meest voorkomende onderwerpen bij Spreken deel 1 — beschrijven wat u in uw vrije tijd doet, in korte, heldere zinnen.
vrije tijd (de)free time, leisure
hobby (de)hobby
sport (de)sport
sportendo sports
voetbal (het)football, soccer
voetballenplay football
zwemmenswim
zwembad (het)swimming pool
fietsencycling
wandelenwalking, hiking
hardlopenrunning
lezenread
muziek (de)music
luisteren naarlisten to
liedje (het)song
zingensing
film (de)movie, film
bioscoop (de)cinema
museum (het)museum
park (het)park
strand (het)beach
bos (het)forest, woods
spelenplay
spelletje (het)game
winnenwin
verliezenlose
team (het)team
vakantie (de)holiday, vacation
besteden (besteedt)to spend (time), pay attention
aandacht (de)attention
zoeken (zoekt)to look for
discotheek (de)disco
dansen (danst)to dance
concert (het)concert
café (het)café, pub
voorstelling (de)performance
uitgaan (gaat uit)to go out
Nederlandse feestdagen (Koningsdag, Bevrijdingsdag) worden direct getoetst bij KNS-kennisvragen en vormen een natuurlijk gespreksonderwerp bij Spreken deel 1.
feest (het)party, celebration
feestje (het)small party
verjaardag (de)birthday
jarig zijnhave one's birthday
gefeliciteerdcongratulations
van harte gefeliciteerdhappy birthday / sincere congratulations
cadeau (het)present, gift
bloemen (de)flowers
taart (de)cake
vierencelebrate
uitnodigeninvite
uitnodiging (de)invitation
visite (de) / bezoek (het)visitors, guests
op bezoek gaanvisit someone
KoningsdagKing's Day (27 April)
BevrijdingsdagLiberation Day (5 May)
Kerstmis / KerstChristmas
Oud en NieuwNew Year's Eve & Day
vlag (de)flag
gezelligcosy, enjoyable, pleasant
vertellen (vertelt)to tell
afspreken (spreekt af)to arrange, agree on a plan
einde (het)end
belt op (opbellen)calls
miljoenen (het miljoen)millions
anderhalve (anderhalf)one and a half
zuiden (het)south
bedoelen (bedoelt)to mean
volle (vol)full
buitenlander (de)foreigner
weggaan (gaat weg)to go away
thuisblijven (blijft thuis)to stay home
toerist (de)tourist
gebied (het)area
daarnaastin addition
periode (de)period
blijft thuis (thuisblijven)stays home
overigensby the way
enige (enig)some, any
besluiten (besluit)decisions
financiële (financieel)financial
redenen (de reden)reasons
grap (de)joke
bekendwell-known
rij (de)row, queue
schilders (de schilder)painters
beroemde (beroemd)famous
cultuur (de)culture
gaan weg (weggaan)go away
theme parktheme park
pretpark (het)theme park
bedoeld (bedoelen)meant
fantastischfantastic
kwijt (kwijtraken)lost
Woorden over communicatie en technologie ondersteunen leesteksten over e-mails, afspraakbevestigingen en eenvoudige digitale berichten.
communicatie (de)communication
praten / sprekentalk / speak
bellen / opbellenphone, call
telefoon (de)telephone, phone
mobieltje (het)mobile phone
nummer (het)number
gesprek (het)conversation, call
bericht (het)message
brief (de)letter
schrijvenwrite
sturen / verzendensend
ontvangen / krijgenreceive / get
post (de)mail, post
postzegel (de)stamp
e-mail (de)email
computer (de)computer
internet (het)internet
website (de) / sitewebsite
scherm (het)screen
klikkenclick
opzoekenlook up
krant (de)newspaper
nieuws (het)news
radio (de)radio
televisie (de) / tvtelevision
programma (het)programme, show
ietssomething
hartelijkwarm, hearty
groeten (de groet)greetings
houden (van)to keep, to love
contact (het)contact
buitenland (het)abroad
verschillenddifferent
manier (de)way, manner
mailento e-mail
snelquick
gemakkelijkeasy
technischtechnical
netwerk (het)network
verbinding (de)connection
informatie (de)information
site (de)site
positiefpositive
zich zorgen makento worry
zorgen (de zorg)worries
sindssince
loopt (lopen)walks
hulp (de)help
jammer genoegunfortunately
op zichzelfby themselves
geboorteland (het)home country
verschillen (het verschil)differences
artikelen (het artikel)articles
tweedehandssecond-hand
duizendthousand
risico (het)risk
oude (oud)old
kapotbroken
daalt (dalen)falls (drops)
banen (de baan)jobs
aantal (het)number
voortdurendcontinually
stijgen (stijgt)to rise
prijzen (de prijs)prices
biedt (bieden)offers
tot slotfinally
slot (het slot)end
terwijlwhile
voorbeelden (het voorbeeld)examples
hangt (hangen)hangs
heleboel (het)a whole load of
personen (de persoon)people
leden (het lid)members
gekke (gek)crazy
plek (de)place
lijst (de)list
bedenken (bedenkt)to think of
meenemen (neemt mee)to take (with them)
kantine (de)canteen
gemerkt (merken)noticed
open houdento keep open
gordijnen (het gordijn)curtains
doorgaan (gaat door)to carry on
afspraken (de afspraak)appointments
kijk uit (uitkijken)look out
koopt (kopen)buys
gebouwd (bouwen)built
bewaar (bewaren)have, keep
herinneringen (de herinnering)memories
bezoeken (bezoekt)to visit
wijzen (wijst)to show, point
kaart (de)map
voriglast
beschrijven (beschrijft)to describe
namen (de naam)names
prinses (de)princess
ster (de)star
figuren (de figuur)figures
techniek (de)technique
kent (kennen)knows
bijzondere (bijzonder)special
verhalen (het verhaal)stories
beleven (beleeft)experience
regels (de regel)rules
je aan houdento stick to, follow
twijfel (twijfelen)doubt, be unsure
zoek op (opzoeken)look up
wees (zijn)be
voorzichtigcareful
gevaarlijkdangerous
voelt (voelen)feels
gevaar (het)danger
toestel (het)aircraft
voorbij (voorbijgaan)over, finished
gewenst (wensen)wished
doodgaan (gaat dood)to die
vooruitforwards
benieuwdcurious
bereikt (bereiken)reached
dunne (dun)thin
immersafter all
soorten (het soort)sorts
verwachten (verwacht)expect
denkt (denken)thinks
durft (durven)dare
Mening- en gevoelswoorden zijn essentieel bij de zinsaanvullingen van Spreken deel 2, die vaak vragen om te reageren op een situatie ('Ik vind dat...', 'Ik ben blij want...').
voelen (zich)feel
gevoel (het)feeling
blijhappy, glad
vrolijkcheerful
tevredensatisfied, content
trotsproud
verdrietigsad
boosangry
bangafraid, scared
angst (de)fear
zenuwachtignervous
moetired
vermoeidexhausted
gekcrazy, strange
raarweird, strange
grappigfunny, amusing
leuknice, fun
fijnpleasant, lovely
vervelendannoying, tedious
ergbad, terrible
verschrikkelijkawful, horrible
belangrijkimportant
vindenthink, find (opinion: ik vind dat...)
denkenthink (thought process)
hopenhope
willenwant
graaggladly
lieverrather, prefer
jammera pity, too bad
gelukkigfortunately, luckily
voorstellen (zich)to imagine
liefdear, sweet
sociaalsocial
wennen (aan)to get used to
rol (de)role
serieusserious
bezigbusy
geluk (het)happiness
gelden (gelden)to apply (rules)
tv (de)tv
last van hebbento have trouble with
voorkomen (voorkomt)to prevent
bedoeling (de)idea, intention
bovendienalso, moreover
ongelukken (het ongeluk)accidents
algemene (algemeen)general
slaan (slaat)to hit
overheid (de)government
anderdsomthe other way around
flinke (flink)big, considerable
verstand (het)common sense
echterhowever
zoverto this extent
papieren (het papier)papers
Woorden over stad, dorp en natuur ondersteunen zowel KNS-vragen over aardrijkskunde (Amsterdam, Rotterdam, de Noordzee) als leesteksten die buiten spelen.
stad (de)city, town
dorp (het)village
platteland (het)countryside
omgeving (de)surroundings, area
buurt (de) / wijk (de)neighbourhood, district
centrum (het)city centre, downtown
gebouw (het)building
kerk (de)church
moskee (de)mosque
molen (de)windmill
boerderij (de)farm
boer (de)farmer
veld (het) / akker (de)field
natuur (de)nature
bos (het)forest, woods
boom (de) / bomentree / trees
plant (de)plant
bloem (de)flower
gras (het)grass
berg (de)mountain
heuvel (de)hill
rivier (de)river
meer (het)lake
zee (de)sea
Noordzee (de)North Sea
strand (het)beach
dier (het) / dierenanimal / animals
hond (de)dog
kat (de)cat
vogel (de)bird
paard (het)horse
koe (de)cow
schaap (het)sheep
vis (de)fish
industrie (de)industry
vlakflat
nergensnowhere
namelijkthat is, namely
verschil (het)difference
rest (de)rest, remainder
behoorlijkconsiderable
verkeer (het)traffic
rustigquiet
noordnorth
zuidsouth
oosteast
nauwelijkshardly
gemiddeldaverage
vierkantsquare
kilometer (de)kilometre
missen (mist)to miss
echtreal
eiland (het)island
rijkrich
bouwen (bouwt)to build
groeien (groeit)to grow
enormenormous
veranderen (verandert)to change
vreemdstrange
werkelijkreally
keuze (de)choice
ooitever
voorlopigfor now
molens (de molen)windmills
koeien (de koe)cows
paarden (het paard)horses
schapen (het schaap)sheep
winkels (de winkel)shops
pin (de)pin (code)
situaties (de situatie)situations
patat (de)fries, chips
zak (de)bag
veiligsafe
gelukt (lukken)worked, succeeded
alweeralready, again
betaald (betalen)paid
probeert (proberen)tries
gedrukt (drukken)pressed
cijfer (het)number, digit
onjuistincorrect
drukken (drukt)to press
akkoordokay, agreed
bedrag (het)amount
geduld (het)patience
erdoor (door)through
magnetische strip (de)magnetic strip
combinatie (de)combination
bij elkaartogether
vos (de)fox
spannendexciting
verteld (vertellen)told
witte (wit)white
fijne (fijn)nice
huizen (het huis)houses
vlakbijnearby
bomen (de boom)trees
planten (de plant)plants
grasveld (het)grass field, pasture
voetballers (de voetballer)footballers
snapt (snappen)understands
Deze module overlapt direct met KNS-inhoud over geschiedenis en samenleving — de Tweede Wereldoorlog, de VOC, vrijheid van meningsuiting en godsdienst — precies het cluster inburgeringskennis waar het examen uit put.
geschiedenis (de)history
vroegerin the past, formerly
Tweede WereldoorlogSecond World War
oorlog (de)war
vrede (de)peace
bombardement (het)bombing (Rotterdam 1940)
kolonie (de)colony
onafhankelijkindependent
VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie)Dutch East India Company
handel (de)trade, commerce
koninkrijk (het)kingdom
koning (de)king (Willem-Alexander)
koningin (de)queen (Máxima)
kroonprinses (de)crown princess (Amalia)
paleis (het)palace
staatsgodsdienst (de)state religion (none in NL)
godsdienst (de) / religiereligion
vrijheid (de)freedom
vrijheid van meningsuitingfreedom of speech
vrijheid van godsdienstfreedom of religion
gelijkequal
gelijke rechtenequal rights
discriminatie (de)discrimination
Woorden over politiek, recht en bestuur worden direct getoetst bij KNS (parlement, burgemeester, gemeente) en komen terug in leesteksten over officiële berichten en boetes.
politiek (de)politics
regering (de)government
kabinet (het)cabinet
parlement (het) / Tweede Kamerparliament (The Hague)
Den HaagThe Hague (seat of government)
minister (de)minister
minister-president (de) / premierprime minister
wet (de)law
grondwet (de)constitution
regel (de) / regelsrule / rules
rechten (de)rights
plichten (de)duties, obligations
stemmenvote
verkiezingen (de)elections
politieke partij (de)political party
burgemeester (de)mayor
gemeente (de)municipality, local council
gemeentehuis (het)town hall
belasting (de)tax
politie (de)police
strafbaarillegal, punishable by law
straf (de)punishment
boete (de)fine
verbodenprohibited, forbidden
toegestaanpermitted, allowed
verplichtmandatory, compulsory
Verbindingswoorden (omdat, dus, hoewel) maken het verschil tussen een geslaagd en een gezakt antwoord bij Spreken deel 2 — dit zijn de grammaticawoorden met het meeste rendement op het hele examen.
enand
maarbut
wantbecause (normal word order: want ik ben moe)
omdatbecause (verb moves to end: omdat ik moe ben)
ofor
alsif / when (als het regent, ...)
danthen
daaromtherefore, that is why
dusso, therefore
ookalso, too
nietnot
welindeed, do (affirmative contrast)
erg / heel / zeervery
tetoo (te duur = too expensive)
veelmuch, many
weiniglittle, few
meermore
minderless
allemaalall
allebeiboth
samentogether
alleenalone, only
misschienmaybe, perhaps
waarschijnlijkprobably
natuurlijkof course
zekercertainly, sure
eigenlijkactually
volgensaccording to
zonderwithout
metwith
voorfor / in front of / before
naafter
tijdensduring
perper
doorthrough, because of
trouwensby the way
feit (het)fact
zo een / zo'nsuch a
eensonce, agreed
verderfurther
daarnaafter that
zelfseven
voordatbefore
overover, about
Elk A1-spreekantwoord is opgebouwd uit deze kernset van 38 veelgebruikte werkwoorden. Deze goed kennen is meer waard dan elke andere vocabulairemodule voor het onderdeel Spreken.
zijn (is, was, geweest)to be
hebben (heeft, had, gehad)to have
gaan (gaat, ging, gegaan)to go
komen (komt, kwam, gekomen)to come
doen (doet, deed, gedaan)to do
maken (maakt, maakte, gemaakt)to make
zien (ziet, zag, gezien)to see
horen (hoort, hoorde, gehoord)to hear
kijken (kijkt, keek, gekeken)to look, watch
luisteren (luistert, luisterde, geluisterd)to listen
spreken (spreekt, sprak, gesproken)to speak
praten (praat, praatte, gepraat)to talk
zeggen (zegt, zei, gezegd)to say
eten (eet, at, gegeten)to eat
drinken (drinkt, dronk, gedronken)to drink
kopen (koopt, kocht, gekocht)to buy
betalen (betaalt, betaalde, betaald)to pay
wonen (woont, woonde, gewoond)to live (reside)
werken (werkt, werkte, gewerkt)to work
leren (leert, leerde, geleerd)to learn, teach
lezen (leest, las, gelezen)to read
schrijven (schrijft, schreef, geschreven)to write
vragen (vraagt, vroeg, gevraagd)to ask
antwoorden (antwoordt, antwoordde, geantwoord)to answer
nemen (neemt, nam, genomen)to take
geven (geeft, gaf, gegeven)to give
rijden (rijdt, reed, gereden)to drive, ride
fietsen (fietst, fietste, gefietst)to cycle
lopen (loopt, liep, gelopen)to walk
slapen (slaapt, sliep, geslapen)to sleep
wachten (wacht, wachtte, gewacht)to wait
helpen (helpt, hielp, geholpen)to help
begrijpen (begrijpt, begreep, begrepen)to understand
weten (weet, wist, geweten)to know (facts)
kennen (kent, kende, gekend)to know (people, places)
vinden (vindt, vond, gevonden)to find / think (opinion)
willen (wil, wilde/wou, gewild)to want
moeten (moet, moest, gemoeten)to must, have to
mogen (mag, mocht, gemogen)to be allowed to, may
kunnen (kan, kon, gekund)to can, be able to
🍪 We use cookies for basic analytics — no ads, no third-party tracking. Privacy Policy